Maandag 23 februari staat het kabinet op de trappen bij Paleis Huis ten Bosch. Met Stientje van Veldhoven als minister van Klimaat en Groene Groei – en Jo-Annes de Bat als staatssecretaris aan haar zijde – zie ik twee bewindspersonen met veel ervaring op het gebied van duurzame energie én openbaar bestuur. Precies wat we zo hard nodig hebben.
We komen uit een periode met een minister voor KGG die weliswaar gemotiveerd en kundig was, maar die binnen dat kabinet vrijwel niets voor elkaar kreeg. In het coalitie-akkoord staan nu veel constructieve plannen. Vooral qua budget zijn er goede dingen opgeschreven: er is geld gereserveerd voor de uitrol van Wind op Zee én er zijn middelen toegewezen aan de SDE (of opvolgende regelingen voor de verdere uitrol van duurzame energie op land). Zeker in een kabinet waar de VVD op de schatkist zit, is het cruciaal om aan de voorkant de juiste budgetten te reserveren.
De uitdaging zit er de komende tijd in om ook het juiste (ruimtelijke)beleid te maken om weer stappen te zetten met duurzame energie op land. Bijvoorbeeld door werkbare milieunormen voor windturbines vast te stellen (en geen afstandsnormen). Daarnaast is het cruciaal om snel doelstellingen te formuleren voor duurzame opwek voor 2035. En -tegelijkertijd – ook met een mechanisme te komen dat borgt dat deze doelstellingen ook daadwerkelijk gehaald worden. De RES’ sen als instrument worden afgeschaald maar wat komt er voor in de plaats? Meer landelijke regie lijkt nodig in deze tijd van geopolitieke onrust.
Komende jaren zullen energiehubs en energiegemeenschappen een cruciale rol spelen bij de verdere uitrol van duurzame energie op land. Alleen als we de voordelen van opwek van eigen bodem echt laten landen bij de inwoners en bedrijven van Nederland ontstaat draagvlak. En energiehubs en energiegemeenschappen doen precies dat. Door opwek dicht bij het verbruik in energiehubs te realiseren, kan netcongestie verzacht worden en kunnen bedrijven en (nieuwe) woningen van stroom worden voorzien. En door projecten in energiegemeenschappen op te zetten, kunnen bedrijven en huishoudens profiteren van lokale stroom tegen lage kostprijs. Windenergie op land is, samen met zon, immers al enkele jaren de goedkoopste bron van energie. Zet er een batterij bij en je profiteert van een sprong in gelijktijdigheid: er is groene stroom op ongeveer 85% van de tijd dat je ‘m nodig hebt.
Er liggen grote uitdagingen voor deze nieuwe minister en staatssecretaris. Zeker ook gelet op het feit dat er sprake is van een minderheidskabinet. Voor het geformuleerde energie- en klimaatbeleid bestaat echter brede maatschappelijke steun: van VNG tot netbeheerders klinken er positieve reacties. De kunst is om tot een constructieve verhouding te komen met oppositiepartijen die dit beleid ook kunnen steunen. Ik denk dat dat deze twee bewindslieden is toevertrouwd. In 2011 schreef ik, in het eerste jaar van mijn dienstverband bij Windunie, in de notulen van de bestuursvergadering over een werkbezoek dat Stientje aan onze coöperatie bracht: “Terugkoppeling van werkbezoek van Stientje van Veldhoven aan Windunie: ze was goed op de hoogte van waar we mee bezig zijn en stelde scherpe vragen waaruit haar betrokkenheid bleek.”.
Die betrokkenheid is er vast niet minder om geworden nu de roep om meer energie-onafhankelijkheid én de beschikbaarheid van betaalbare groene stroom iedere dag luider klinkt. Ik wens haar veel succes en hierbij de uitnodiging voor een hernieuwde kennismaking met de coöperatieve impact in de energietransitie!
