De ACM heeft op 30 april laten weten dat ze door gaat met het verder uitwerken van een invoedingstarief voor elektriciteitsproducenten. Kortom, ze is nog steeds voornemens te zorgen dat onder andere windparken en zonneparken mee gaan betalen aan de kosten van het elektriciteitsnet, terwijl in Nederland deze partijen van oudsher maar zeer beperkt bijdroegen. Invoering zal wel geleidelijk gaan gebeuren (vanaf 2032) en in interactie met de ontwikkeling van een soortgelijk tarief in Duitsland.
In eerste instantie was het belangrijkste argument dat de ACM aandroeg om na te denken over een invoedingstarief dat daarmee de kostenverdeling voor het gebruik van het elektriciteitsnet eerlijker zou worden. Inmiddels ligt de focus meer op het stimuleren van efficiënt gebruik van het net door elektriciteitsproducenten.
Dat deze focus verschoven is, is terecht. Sowieso is eerlijk natuurlijk altijd een lastig begrip. Mijn driejarige vroeg me laatst bij het ontbijt wat “eerlijk” betekende. Ik kwam niet veel verder dan “dat je allebei even veel krijgt?”. Waarop hij zich afvroeg waarom hij dan 1 boterham moest eten en zijn grote broer 2. Kortom, wat eerlijk is, is afhankelijk van veel omstandigheden.
Effectiviteit en uitdagingen van het invoedingstarief
In het geval van de verdeling van de netkosten moeten we ons realiseren dat elektriciteitsproducenten stroom produceren omdat daar vraag naar is bij bedrijven en huishoudens. Daar verdienen de producenten wel geld mee, maar als er geen vraag is naar het product stroom, zou er ook geen opwek plaatsvinden. Hoewel je op het eerste gezicht denkt: oja, goed idee, die producenten moeten mee betalen, is het veel effectiever om de rekening bij de afnemers neer te leggen, zodat zij daardoor minder gaan verbruiken en minder netcapaciteit gaan vragen, waardoor er minder vraag komt naar stroom, waardoor de producenten vanzelf minder gaan produceren en het net minder gaan belasten. Daar komt nog bij dat elektriciteitsproducenten de rekening van een invoedingstarief altijd zullen proberen door te leggen bij hun afnemers. En waar subsidies de prijs bepalen die de producenten ontvangen voor stroom, zullen deze subsidies verhoogt moeten worden om te zorgen dat producenten een business case behouden. Daardoor verschuift de rekening voor het elektriciteitsnet van de veroorzakers van de kosten (de afnemers) naar ons allemaal.
De andere reden die de ACM aanvoert om hier nu wel mee verder te gaan is omdat zij daarmee hoopt bij te dragen aan een efficiënter gebruik van het net door grote invoeders. Hier kan ik me wel meer bij voorstellen. Wanneer door de tariefstructuur opwek op momenten van overbelasting voorkomen kan worden, geef je de netbeheerders een extra instrument in handen om niet doelmatige investeringen te voorkomen. Hoewel dit op het hoogste niveau een goed idee lijkt, blijkt echter dat het helemaal niet zo gemakkelijk is om te komen tot de juiste prikkels middels een invoedingstarief. En dat er andere manieren zijn die veel effectiever zijn om hetzelfde doel te bereiken.
Paul Giesbertz pelt in een mooi (en lijvig) artikel op Energeia af waarom dat zo is. Voor de mensen met een Energeia abonnement, hierbij de link: Invoedingstarief? Makkelijker gezegd dan gedaan | Energeia. In het kort komt het er op neer dat hij stil staat bij de Duitse situatie, die de ACM als leidraad wil nemen voor Nederland. Daar wordt inderdaad gewerkt aan de invoering van een invoedingstarief, maar dit is in eerste instantie een vrij lage heffing voor gecontracteerde capaciteit. Kortom, een “dom” tarief dat op geen enkele manier bijdraagt aan het verlagen van de kosten van het net.
Vervolgens ontleedt hij dat een dynamisch tarief ook niet direct bijdraagt aan het efficiënter gebruik van het net door producenten. Dat gaat pas werken wanneer dat dynamische tarief niet alleen tijdsafhankelijk wordt, maar ook locatiespecifiek is, zodat je daadwerkelijk gaat sturen op minder opwek in die gebieden waar ook echt overbelasting van het elektriciteitsnet door opwek plaatsvindt. En laat de ACM nu zelf al eerder onderzocht hebben dat dat zo ingewikkeld is vorm te geven dat het beter is om de netbeheerder aan zogenaamd congestiemanagement te laten doen. Kortom het afschakelen van installaties op basis van capaciteitsbeperkende contracten (CBCs) of capaciteitssturende contracten (CSCs) met vergoedingen voor Producenten om hier aan mee te werken. En ook in Duitsland hebben ze nog geen goede voorstellen liggen voor de vormgeving van een dergelijke tariefstructuur. Allemaal redenen waarom de invoering van een invoedingstarief niet de meest kansrijke en effectieve manier lijkt om de kosten van netverzwaring te beperken.
Conclusies en maatschappelijke impact
Het feit dat de ACM er nu voor kiest invoering weliswaar uit te stellen, maar wel boven de markt te laten hangen, zonder dat zij duidelijk maakt hoe het invoeren van een invoedingstarief daadwerkelijk kan bijdragen aan beperking van de kosten van het net, berokkent de maatschappij schade. Met name voor nieuwe investeringen moet er nu door producenten rekening worden gehouden met de invoering van een invoedingstarief. Dat leidt tot meer subsidie-behoefte (lees: hogere biedingen bij de volgende tender voor Wind op Zee) of duurdere stroom voor afnemers. Daarmee loopt de rekening voor de energietransitie onnodig op.